Ga naar de inhoud

Strategie

Onttrekken uit uw portefeuille: zo hollen kosten en timing het vermogen niet uit

Door Erik van der Veen · Laatst bijgewerkt op · 2 minuten lezen

Antiek zakhorloge op een houten tafel

Wie periodiek geld uit de beheerde portefeuille haalt, belegt anders dan wie opbouwt. Over onttrekkingspercentages, volgorde-risico, de kasbuffer en wat u van de beheerder mag verwachten.

De meeste informatie over beleggen gaat over opbouwen. Maar een groot deel van het beheerde vermogen in Nederland wordt juist afgebouwd: aanvulling op het pensioen, een periodieke schenking aan de kinderen, of simpelweg leven van het vermogen. Onttrekken vraagt een andere aanpak dan opbouwen, en niet elke beheerder heeft daar een uitgewerkt antwoord op.

Het volgorde-risico

Twee beleggers met hetzelfde gemiddelde rendement over twintig jaar kunnen totaal verschillend uitkomen als zij onttrekken. Wie de slechte jaren aan het begin krijgt, verkoopt stukken tegen lage koersen om de onttrekking te dekken en heeft minder over om van het herstel te profiteren. Dit sequence-of-returns-risico bestaat niet bij opbouwen (daar koopt u juist goedkoop bij) en is de belangrijkste reden om de portefeuille bij onttrekkingen anders in te richten.

Een kasbuffer van twee tot drie jaar

De meest gebruikte oplossing is een buffer in liquiditeiten of kortlopende obligaties ter grootte van twee tot drie jaar aan onttrekkingen. Uit die buffer worden de maandelijkse bedragen betaald; zij wordt aangevuld in goede jaren en met rust gelaten in slechte. Zo hoeft u nooit aandelen te verkopen op het dieptepunt. Vraag uw beheerder of de buffer binnen het mandaat zit of dat u die zelf op een spaarrekening aanhoudt; beide kunnen, maar het moet een bewuste keuze zijn.

Welk percentage is houdbaar?

De bekende vuistregel van 4% per jaar komt uit Amerikaans onderzoek met historische rendementen en dertig jaar horizon. Voor een Nederlandse belegger met kosten van 1% tot 2%, een neutraal profiel en een langere horizon ligt een houdbaar percentage eerder rond 3% tot 3,5%. Elk procentpunt aan kosten gaat direct van het onttrekkingspercentage af: bij 2% totale kosten en 3,5% onttrekking moet de portefeuille bruto 5,5% maken om in stand te blijven, vóór inflatie. Kosten wegen bij onttrekken dus zwaarder dan bij opbouwen.

Het profiel verschuift, maar niet naar nul

Bij onttrekkingen ligt een wat defensiever profiel voor de hand, maar volledig defensief is zelden verstandig: een horizon van twintig tot dertig jaar vraagt nog steeds om groei om de inflatie voor te blijven. Veel beheerders werken met een 'glijpad' waarbij het aandelenbelang geleidelijk daalt, of met een kern-satellietopbouw: een defensieve kern voor de onttrekkingen en een groeideel voor de lange termijn.

Wat u van de beheerder mag verwachten

Vraag in het kennismakingsgesprek concreet hoe de beheerder onttrekkingen inricht: uit welke categorie wordt verkocht, hoe wordt de buffer beheerd, wat gebeurt er na een daling van 20% en welke onttrekking acht hij houdbaar bij uw bedrag en horizon. Vraag ook naar de fiscale kant: bij een stelsel op werkelijk rendement in box 3 maakt het uit wanneer winst wordt gerealiseerd. Een beheerder die hier geen uitgewerkt antwoord op heeft, is ingericht op opbouwen, niet op afbouwen.

Dit artikel is informatief en geen beleggings-, fiscaal of juridisch advies. Cijfers en voorbeelden zijn indicatief; controleer actuele tarieven en regels bij de aanbieder en de Belastingdienst. Zie onze werkwijze.