Basiskennis
Sparen of laten beleggen bij een hogere spaarrente?
Door Erik van der Veen · Laatst bijgewerkt op · 2 minuten lezen

Als de spaarrente stijgt, lijkt vermogensbeheer minder aantrekkelijk. De eerlijke vergelijking gaat over reëel rendement na kosten en belasting, en over de horizon.
Jarenlang was de vraag eenvoudig: sparen leverde niets op, dus wie rendement wilde, moest beleggen. Met een spaarrente die weer boven nul ligt, is de afweging terug. Toch is 'de rente is 2,5%, dus sparen wint' te kort door de bocht. De juiste vergelijking gaat over drie dingen: reëel rendement, kosten en belasting, en de horizon.
Nominaal is niet reëel
Een spaarrente van 2,5% bij een inflatie van 2,5% levert reëel niets op; het vermogen behoudt precies zijn koopkracht. Een gespreide beleggingsportefeuille heeft historisch een reëel rendement van enkele procenten per jaar behaald, met grote schommelingen van jaar tot jaar. De vraag is dus niet of sparen 2,5% oplevert, maar hoeveel u verwacht dat de portefeuille daarbovenop maakt, en of u de schommelingen kunt dragen.
Kosten en belasting halen het verschil kleiner
Vermogensbeheer kost 0,5% tot 2% per jaar; dat komt direct van het verwachte meerrendement af. Fiscaal werkte het oude box 3-stelsel met fictieve rendementen nadelig uit voor spaarders; in een stelsel op basis van werkelijk rendement betaalt u over wat u daadwerkelijk verdient, bij sparen én beleggen. Reken daarom altijd met het verwachte rendement na kosten en na belasting, voor beide routes.
De horizon beslist
Voor geld dat u binnen vijf jaar nodig heeft, is een hogere spaarrente een reden om het niet te beleggen; de kans op een tussentijds verlies is te groot en het verwachte meerrendement te klein om dat te compenseren. Voor geld met een horizon van tien jaar of langer is die kans historisch veel kleiner en het verwachte meerrendement veel groter. De spaarrente verandert dat plaatje nauwelijks; zij verandert vooral het gemak waarmee u de korte-termijnbuffer laat renderen.
Deposito's en obligaties in de portefeuille
Een hogere rente maakt ook het defensieve deel van een beheerportefeuille aantrekkelijker: obligaties leveren weer een positief rendement en deposito's zijn een bruikbaar alternatief voor het liquide deel. Een goede beheerder benut dat in het profiel. Wie met een spaarrekening en een beheerde portefeuille naast elkaar werkt, doet er goed aan de verdeling jaarlijks te herzien, niet op basis van de rente van dat moment maar op basis van doel en horizon.
Een praktische verdeling
Veel beleggers kiezen voor drie lagen: een buffer voor onverwachte uitgaven op een direct opneembare spaarrekening, geld voor doelen binnen vijf jaar op deposito's of een spaarrekening met de hoogste rente, en de rest in een beheerde of zelf beheerde portefeuille die past bij een lange horizon. De spaarrente bepaalt hoe u de eerste twee lagen invult; het derde deel laat u met rust.
Dit artikel is informatief en geen beleggings-, fiscaal of juridisch advies. Cijfers en voorbeelden zijn indicatief; controleer actuele tarieven en regels bij de aanbieder en de Belastingdienst. Zie onze werkwijze.